Bijna één keer per week trek ik richting ‘thuis‘. Thuis is dan bij mijn ouders. En niemand of niets kan hieraan tippen. ‘Ah, altijd feest als ik jou zie’, omarmt mijn vader me. En voor ik echt zit, heeft mijn moeder al een glas klaargezet. Ik duik de kelder in om uit de frigo een fles bubbels te halen. En dan kletsen we honderduit. Zelden een stil momentje. En als er eentje valt, is het om te nippen van ons glas.

We praten over politiek, de kleine en grote roddeltjes, over zijn Lions, Probus en andere meetings. Zij over haar stapel sudoku’s, kruiswoordraadsels, doorlopers (5 sterren!), boeken en tijdschriften naast haar. Over de Louboutins rel. Of praat over een recent bijgewoonde lezing, voorstelling of expo.

Hij gaat nog heel veel op stap. Zij heeft steeds vaker de cocooning modus op. Maar op praten staat geen sleet.

Heel snel gaat het over anekdotes uit hun verleden. Recent of ver af. Steeds met een twist. Toen hij praeses was aan de unief en zij zijn secretaresse. En die rollen zijn zo gebleven. Zij de aangeefster, hij de binnenkopper.  Zij de corrigeert in de details, hij blijft de smaakmaker.

Ik glij automatisch in de kind-ouder verhouding. Ik ben schaamteloos de ontvanger van àl hun aandacht en zorgen.

Vaak gaan we uiteten. Alle excuses voor mijn vader zijn goed om iets buitenhuis te doen. ‘s Avonds koken doen ze zelden nog. Haha. Ze duiken liever het volk in. Waar passage is. Want dat is oud worden: steeds meer vrienden vallen weg. En dat gemis proberen ze te counteren.

En als ik terug naar mijn huis vertrek, is hun vaste vraag: ‘Laat 3 x bellen als je thuis bent hé!’ 

Laatste stevige zoen. Dan draai ik mijn auto de straat uit, toeter nog eens luid en zie ik ze terugzwaaien! Nope, hier kan niets of niemand aan tippen.