Toen ik vijftien, zestien was, hing er een poster op mijn kamer met de tekst:

Hold on to dreams

’cause if dreams die

life is a broken winged bird

that cannot fly

Toegegeven: het is een melige tekst. Een heel melige tekst zelfs.

Het was halfweg de jaren zeventig en posters waren een nieuwigheid. Ik had ook de foto’s uit de Joepie kunnen ophangen, maar dat mocht niet van mijn moeder. Samen met die posters was er ook nog een heel strakke paarse broek waarvoor ik op bed moest liggen om ze dicht te krijgen. En een enorme groene parka en zelfgebreide truien van zelfgesponnen (!) wol. Ik moet in die jaren uren in de wind naar schaap gestonken hebben. En jeuken dat dat deed! Er zaten nog van die stokjes in die je er met de beste wil ter wereld niet uitgesponnen kreeg. Mijn vriendin had het spinnewiel. En ook twintig dwergpapegaaien en minstens evenveel muizen op haar kamer. We kweekten er bovendien van die rare hangplantjes die we in gemacrameede hangertjes hingen. Haar vader was fysicaprofessor, mijn ouders waren zelfstandigen – dus bij haar mocht er altijd een beetje meer.

Ik kocht een plaat van ABBA die ik grijs draaide op een oranje platenspeler. Van mijn vader had ik Dark Side of the Moon van Pink Floyd (dertig jaar later zou mijn zoon Converses dragen waarop die cover gedrukt stond) en Tommy van The Who gekregen. Ik kende niks van muziek en die drie platen vormden lang mijn hele collectie. Ik kan Pinball Wizard en Money nog bijna helemaal meezingen – zij het hier en daar zuiver fonetisch.

Maar de poster dus – en ook nog twee andere trouwens: één van David Hamilton met van die dromerige meisjes in doorzichtige kleren in een boom en één met de vogel waardoor je de wolken ziet en (als mijn geheugen me niet in de steek laat) het woordje FREE.

Man, man, man. Wat moet ik een romantische ziel geweest zijn toen. Ik wist zeker dat ik de wereld ging ontdekken, minstens twee jaar in New York zou wonen, de Himalaya beklimmen en schooltjes zou gaan bouwen in Afrika. Ik zou uit een helikopter springen boven de Rocky Mountains en dan naar beneden skiën. Ik zou zorgen voor wereldvrede en voor nog wat andere dingen maar die herinner ik me gelukkig niet meer.

Uiteindelijk ging ik braaf met een uitwisselingsorganisatie een jaar naar Harrisburg in de Verenigde Staten. Een jaar eerder was daar een lek geweest in de kerncentrale van Three Miles Island en dat was meteen het spannendste wat er over de hoofdstad van Pennsylvania te vertellen viel… Maar ik kreeg  wel een poster van mijn toenmalige vriendje (die overigens als twee druppels water op Peter Frampton leek en me dumpte toen ik een maand in Harrisburg zat) met een foto van een oranje kerncentrale en als tekst ‘I SURVIVED TMI’. Nooit geweten waar hij die op de kop getikt had. En van de andere vrienden kreeg ik de single ‘We’re the kids in America’ van Kim Wilde cadeau. Voor mezelf breide ik de meest afschuwelijke trui ooit voor ik vertrok: een beige met een rode kraag en rode manchetten en – hou je vast! – opgeborduurde clowns. Eén van mijn klasgenoten zei: ‘Knap gedaan, daar niet van, maar ik zou hem nooit dragen.’ Dat herinner ik me dus nog. Het was een moeilijke trui geweest om te breien.
Tweeëndertig jaar later besef ik dat ze overschot van gelijk had. Die trui was afschuwelijk. Net als dat broekpak met bloemetjes dat ik een jaar eerder uit Londen had meegebracht.

Natuurlijk had ik een fantastisch jaar als uitwisselingsstudent – waarschijnlijk één van de meest bepalende jaren uit mijn leven. ‘Harrisburg’ zat niet in mijn droomlijstje maar toch was het een droom die uitkwam. Eens ter plaatse werd ik blijkbaar geïnspireerd tot andere dromen. Op een avond was ik uit met Pete Frengel – en dat moet een soort ‘droomdate’ geweest zijn, want Pete was aanvoerder van het zwemteam en zag er geweldig lekker uit. Hij was dan wel twee jaar jonger, maar daar heb ik nooit mee gezeten. Pete en ik reden naar huis en ik vertelde hem over mijn dromen. Niks meer Sex in the City of bakstenen leggen in Ouagadougou, maar iets met een boerderij met twaalf kinderen en vijf geiten en tien varkens en nog een paar koeien… Het was zo boeiend dat we bijna de voorpagina van de krant haalden. Pete viel in slaap achter het stuur (tijdens mijn verhaal!) en ging ei zo na over de middenberm. Dromen. Soms kun je ze beter voor je houden.

Pete en ik zagen elkaar vorige zomer voor het eerst in dertig jaar terug. Hij was kalend. Een leraar in de highschool waar ik toen school liep. Hij had een knappe, veel jongere vrouw – een danseres. Hij vroeg me meteen hoe het met de kippen en de koeien was en we moesten er eens hard om lachen. Hij toonde me een muurschildering in de gang van de school waar ik opstond en die een andere goede vriend van mij geschilderd had het jaar nadat we afstudeerden.

Dat had ik allemaal nooit durven dromen.

Weer thuis droomde ik van nieuwe dingen. Of misschien droomde ik een tijdje niet meer. Ik had ooit parachutegesprongen (zo’n droom die echt uitkwam toen ik zestien was) maar nu durfde ik niet meer. En van al die reizen kwam ook niks meer in huis want ik had nooit geld. Of misschien was ik toch een bangere wezel dan ik dacht. En ik had een lief natuurlijk – zo eentje die je langs alle kanten bedroog maar waarvan je je niet los kon maken. Iemand die je met handen en voeten vastbond zodat je niet meer kon/wou/durfde vliegen. Twee keer buizen aan de KUL, hogeschool afmaken, goeie job bij een chemisch bedrijf…

Tot ik er op mijn drieëntwintigste plots genoeg van had.

Ik gaf – op één dag! – mijn ontslag, maakte het definitief uit met mijn lief (zo definitief dat ik hem sindsdien nooit meer gezien heb) en kocht een ticket naar de Verenigde Staten. Met El Al want dat was goedkoop en bovendien geweldig spannend toen. Hell yeah! Wat er die maand op reis gebeurde, blijft best tussen mij en mij, maar als je met lichtblonde haren en één strakke zwarte jurk  op reis bent, wordt het nooit saai. Mijn moeder schrok zich ongetwijfeld rot toen ik haar vanuit Newark belde en zei dat ze zich geen zorgen moest maken want dat ik een fijne Zweed ontmoet had die de rest van de nacht bij me bleef. Gelukkig was telefoneren duur in die tijd en hoorde ze niks van me tot ik terug in Schiphol stond. En haar belde om te zeggen dat ik geen geld meer had om de trein naar huis te nemen en of ze me alsjeblief kwam halen.

De rest is geschiedenis: na een maand kwam ik gelouterd maar ook gepokt en gemazeld terug, schreef me in aan de VUB en leerde Patje kennen. Meer dan vijfentwintig jaar geleden intussen. Twee kinderen. Straks zijn ze twintig en zestien.

En de dromen van mijn poster?

Ik dacht altijd dat je ze nodig had, dromen, maar eigenlijk is dat niet zo.  Ik laat het leven zijn gang gaan en zeg nooit nee. En dan gebeurt er meer dan ik ooit had durven dromen. Dan denk ik: ‘eigenlijk zou ik nog wel eens willen…’ en op een dag gebeurt het. Gewoon. Ik jaag niets na en toch overkomt het me allemaal.

Mijn leven is een fijne aaneenschakeling van dromen waarvan ik niet wist dat ik ze had. En ik heb nooit spijt gehad van de dromen die niet uitkwamen. Ik heb gewoon geen tijd voor spijt.

Vorige maand werd ik vijftig. Maar dat lijkt niet zo.

Mijn kinderen zijn dromers nu. Ze gaan schooltjes bouwen en reizen en in Sao Paulo wonen en chirurg worden en minstens één keer op elk continent geweest zijn. Ik zie het graag gebeuren.

Op mijn vijftigste waren er ballonnen met helium (ja, ja, we hebben met een hoog stemmetje gesproken) en kaartjes eraan. Er zijn al drie kaartjes teruggekomen. En er was champagne op het dak van het MAS. En er was een feestje dat ik zelf gaf met twee dj’s en drie scouts achter de bar.

Meer hoeft dat niet te zijn. En die melige tekst van de poster? Die ben ik vreemd genoeg nooit vergeten. Jammer eigenlijk, dat hij zo melig is.

Meer lezen van Hilde? Volg haar blog: http://tilleendewereld.blogspot.be